Vertrouwen is goed, controleren is beter

 'CIRCUS VAR’ STOPT! – EERSTE KAMER NEEMT WET DBA AAN

De Eerste Kamer heeft het wetsvoorstel Wet deregulering beoordeling arbeidsrelaties (DBA) aangenomen. Dit betekent dat de wet DBA in werking treedt per 1 mei 2016 en dat daarmee per die datum de Verklaring Arbeidsrelatie (‘VAR’) vervalt. Een korte samenvatting van wat vooraf ging.
Staatssecretaris Wiebes van Financiën was er vanaf zijn aantreden duidelijk over: de VAR moest op de schop. De VAR werd op aanvraag afgegeven door de Belastingdienst aan iedereen die voor opdrachtgevers werkte, bijvoorbeeld als freelancer of zelfstandige zonder personeel en moest duidelijkheid verschaffen of uw opdrachtgevers loonheffingen moesten inhouden en betalen over uw inkomsten. Volgens Wiebes echter levert de VAR 'schijnzekerheid' aan de opdrachtnemers en belemmert de VAR handhaving van de regels door de Belastingdienst, doordat de opdrachtgever er geen rol bij speelt, er geen verantwoordelijkheid voor neemt en er in de praktijk juridisch ook niet op kan worden aangesproken.
Wiebes komt dan met het wetsvoorstel voor de nieuwe Wet deregulering beoordeling arbeidsrelatie (DBA), waaronder zzp'ers opdrachten moeten gaan uitvoeren. Vooraf goedgekeurde overeenkomsten vervangen de zogenoemde VAR-verklaring, die zzp'ers nu nog moeten inleveren om aan te tonen dat geen loonheffing ingehouden hoeft te worden. Het wetsvoorstel ligt vanaf het begin zwaar onder vuur. 
Zo moet de praktijk nog leren hoe de naleving van de vooraf door de fiscus getoetste overeenkomsten wordt gecontroleerd en geïnterpreteerd. Dat brengt onzekerheid in de markt mee.
De handhavingstrategie van Wiebes is nog niet duidelijk. De vraag waar de fiscus precies op toetst om vast te stellen of er geen sprake is van een schijnconstructie, geeft aanleiding tot verwoede discussies.
Volgens Wiebes is het alternatief voor het 'VAR-beschikkingencircus' door de belangenorganisaties zelf geopperd en is het samen met hen uitgewerkt tot een 'werkbaar stelsel'. Volgens hem is het een 'misverstand' dat het huidige VAR-systeem ook nog wel dienst zou kunnen blijven doen.
De organisaties van zelfstandigen zonder personeel (zzp) zien nog de nodige uitvoeringsrisico's bij de vervanging van de VAR, zeker omdat de staatssecretaris het nieuwe stelsel op 1 april wilde laten ingaan met een overgangsperiode tot 1 januari 2017. Volgens de zzp-vertegenwoordigers, die nauw betrokken waren bij het plan, had daarvoor al lang een intensieve voorlichtingscampagne moeten beginnen. Er zijn nl. 500.000 VAR's in omloop.
Ook de vraag waar de fiscus precies op toetst om vast te stellen of er geen sprake is van een schijnconstructie, geeft aanleiding tot discussies. De zzp-vertegenwoordigers vrezen vele rechtszaken en dringen er op aan om de toetsing van de modelovereenkomsten door experts op korte termijn mogelijk te maken. Ondertussen benadrukt Wiebes dat als opdrachtgevers en zzp'ers op basis van één van de door de Belastingdienst getoetste overeenkomsten werken, ze voor vijf jaar 'de gewenste zekerheid vooraf hebben'. Volgens hem wordt de problematiek van schijnzelfstandigheid daarmee 'structureel aangepakt'.
Maar de zzp-ers vreesden ongewenste bijeffecten. Zo zei de staatssecretaris in antwoorden op vragen uit de Senaat dat bij een aangetoonde schijnconstructie de opdrachtgever een naheffing premies en loonheffing, kan verhalen op de opdrachtnemer. Maar die heeft geen beroepsmogelijkheid meer, als de opdrachtgever een aanslag betaalt, om te voorkomen dat deze 'schijnzelfstandige' tussen wal en schip valt.
Wiebes kreeg een meerderheid in de Eerste Kamer voor afschaffing van de VAR, nadat hij 2 februari jl. tegemoet kwam aan de wens van het CDA om daar meer tijd voor te nemen. De VAR vervalt nu vanaf 1 mei a.s. en Wiebes zegt een overgangstermijn toe van een jaar, tot 1 mei 2017. Zelfstandigen zonder personeel en hun opdrachtgevers kunnen zich er zo samen met de Belastingdienst op voorbereiden dat ze dan moeten kunnen aantonen dat ze geen werknemersrelatie hebben. Tijdens de overgangsperiode zal de Belastingdienst 'terughoudend' handhaven en eerder een helpende hand zal toesteken. Overigens heeft Wiebes met de verlenging van de overgangsperiode wel bereikt dat deze doorloopt tot net na de geplande verkiezingen van maart 2017.
Met het afschaffen van de VAR zal ook de fictieve dienstbetrekking voor commissarissen worden geschrapt. Lees daarover meer in het volgende artikel: "afschaffing VAR wijzigt fiscale regeling commissaris”.


AFSCHAFFING VAR WIJZIGT FISCALE REGELING COMMISSARIS

Het vervallen van de VAR had oorspronkelijk tot gevolg dat opdrachtgevers vanaf 1 mei 2016 (beoogde ingangsdatum van de Wet DBA) op de commissarisbeloning altijd loonheffingen moesten inhouden en afdragen. De staatssecretaris zal de fictieve dienstbetrekking van de commissaris afschaffen, waardoor de commissaris niet meer onder de Wet op de loonbelasting valt en er geen loonheffingen en werkgeversbijdrage Zvw verschuldigd meer zijn. 
De invoering van de Wet deregulering beoordeling arbeidsrelaties (DBA) en het vervallen van de huidige VAR heeft ook gevolgen voor commissarissen die op dit moment werkzaamheden verrichten op basis van een VAR. Commissarissen zijn op grond van de wet in fictieve dienstbetrekking bij het lichaam waar zij toezicht op houden. Echter als de commissaris over een geldige VAR beschikt, wordt deze fictieve dienstbetrekking opzijgezet. In dat geval hoeven op de beloning van de commissaris geen loonheffingen te worden ingehouden en is geen werkgeversbijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) verschuldigd. De fictieve dienstbetrekking van commissarissen geldt niet voor de premies werknemersverzekeringen.
Het vervallen van de VAR had oorspronkelijk tot gevolg dat opdrachtgevers (vanaf 1 mei 2016) op de commissarisbeloning altijd loonheffingen moesten inhouden en afdragen. De staatssecretaris van Financiën heeft tijdens de behandeling van het wetsvoorstel echter toegezegd om de fictieve dienstbetrekking van de commissaris af te zullen schaffen, eerst via een beleidsbesluit en later door een aanpassing van de wet. Daardoor zal de commissaris niet meer onder de Wet op de loonbelasting vallen en zullen er geen loonheffingen en werkgeversbijdrage Zvw verschuldigd zijn.Voor de btw-plicht i.v.m. de commissarisbeloning heeft de afschaffing van de fictieve dienstbetrekking geen gevolgen. Voor commissarissen met een 30%-regeling moet sprake zijn van een (fictieve) dienstbetrekking. Als de fictieve dienstbetrekking voor een commissaris vervalt, kan ook de 30%-regeling niet meer worden toegepast. Het is mogelijk om te opteren voor werknemerschap en daarmee vrijwillig onder de Wet op de loonbelasting te vallen. De wet biedt de mogelijkheid om een arbeidsverhouding die niet kwalificeert als een ‘echte' of ‘fictieve' dienstbetrekking toch als dienstbetrekking aan te merken (ook wel aangeduid met ‘opting-in'). Het voordeel van opting-in is dat de belastingplichtige als werknemer wordt beschouwd en waardoor de Wet LB, inclusief de 30%-regeling, op hem van toepassing is. Als de inkomsten van de commissaris kwalificeren als belastbare winst voor de inkomstenbelasting, kan hij niet kiezen voor opting-in. Op dit moment zal het aangekondigde beleidsbesluit in verband met de afschaffing van de fictieve dienstbetrekking van commissarissen moeten worden afgewacht om meer duidelijkheid te kunnen geven over andere mogelijke gevolgen van het vervallen van de (fictieve) dienstbetrekking.


ONDERNEMERS MOETEN OP NIEUWE MANIER BELASTINGAANGIFTE DOEN 

‎Ongeveer 1,2 miljoen ondernemers moeten dit jaar op een nieuwe manier aangifte doen van hun inkomstenbelasting. Door de nieuwe werkwijze kunnen ze nu voor het eerst samen met hun partner aangifte doen. Voorheen konden deze zelfstandigen zelf aangifte doen via de digitale ondernemersportal op de site van de Belastingdienst. Nu gaan ze op dezelfde manier als particulieren hun inkomstenbelasting opgeven. Omdat een deel van de aangifte al vooraf is ingevuld zullen ze sneller klaar zijn en moeten er ook minder fouten ontstaan. Met deze nieuwe manier van aangifte doen moeten de belastingen eenduidiger worden, aldus een woordvoerster van de Belastingdienst. De ondernemers kunnen vanaf 1 maart aangifte doen.


BTW OP DE BRANDSTOFBON AFTREKBAAR?

De laatste tijd wordt er veel reclame gemaakt voor brandstofpassen. Daarbij wordt onder de aandacht gebracht dat de btw-ondernemer met een brandstofpas zonder problemen de btw op de brandstof kan aftrekken. Dat is juist, maar ook zonder brandstofpas is dit mogelijk.
Het gaat er voor de btw-aftrek onder andere om dat u als btw-ondernemer kunt aantonen dat de brandstof aan u geleverd is. Dat zou u bijvoorbeeld kunnen aan de hand van een factuur waarop uw gegevens vermeld staan. Op veel brandstofbonnen hoeft dit echter niet vermeld te staan en staat het er meestal ook niet op. Met alleen een brandstofbon zonder de gegevens van uw onderneming erop heeft u dus niet voldoende bewijs en kan de Belastingdienst aftrek weigeren. Als u echter betaalt met een betaalpas, creditcard of brandstofpas van uw onderneming dan is het vrij eenvoudig aan te tonen dat u de afnemer van de brandstof bent. Met de brandstofbon in combinatie met de betaalgegevens is namelijk te herleiden dat u de afnemer van de brandstof bent.
Als u echter de brandstof contant afrekent, is aantonen een stuk lastiger en het risico dat de Belastingdienst de aftrek weigert een stuk groter. U zou in dat geval bijvoorbeeld het tankstation kunnen vragen of zij een factuur uitreiken met de gegevens van uw onderneming erop. Daarnaast kan dan bijvoorbeeld een sluitende kasadministratie voor aanvullend bewijs zorgen.
Om het risico op aftrekcorrecties van btw op brandstofbonnen tegen te gaan, kunt u daarom de brandstof het beste afrekenen met een betaalpas, creditcard, brandstofpas of iets dergelijks op naam van uw onderneming. 


BOF VOOR AANDELEN IN VASTGOED-BV TERECHT GEWEIGERD

De Belastingdienst stelt zich op het standpunt dat er bij verhuur van onroerende zaken in het algemeen sprake is van beleggen en niet van ondernemen. De bedrijfsopvolgingsfaciliteit (BOF) is dan dus niet van toepassing. In deze zaak staat de vraag centraal of de BOF van toepassing is op de verkrijging van de aandelen in een vastgoed-BV.
Een echtpaar bezit de aandelen in een vastgoed-BV en een 10% middellijk belang in een BV die een drankengroothandel drijft. De vastgoed-BV bezit twaalf panden die zij verhuurt aan de drankengroothandel-BV. Die verhuurt de panden weer door aan uitbaters van horecagelegenheden. De man overlijdt, de erfgenamen menen dat de bedrijfsopvolgingsfaciliteit van toepassing is op de verkrijging van de aandelen in de vastgoed-BV.
Rechtbank Den Haag oordeelt anders: de verhuuractiviteiten van de vastgoed-BV vormen geen onderneming. Er is slechts één huurder en het is niet aannemelijk dat de vastgoed-BV enig risico loopt. De aard en de omvang van de verhuurwerkzaamheden voor de vastgoed-BV zijn te gering en leiden niet tot een hoger rendement dan bij normaal vermogensbeheer.
Toch zijn er al verschillende uitspraken gepubliceerd waarbij de toepassing van de BOF wél werd toegestaan bij schenking of vererving van de aandelen in een vastgoed-BV. In elk van deze uitspraken gaf de doorslag dat de aard en omvang van de arbeid dusdanig waren, dat een hoger rendement wordt behaald dan een belegger zou kunnen behalen.
Al blijft de Belastingdienst vasthouden aan de stelling dat er bij verhuur van onroerende zaken in het algemeen sprake is van beleggen en niet van ondernemen, uit enkele uitspraken blijkt dat er toch sprake kán zijn van het drijven van een onderneming. Dan moeten de werkzaamheden en (de waarde van) de onroerende zaken wel een zekere omvang hebben, wat aantoont dat de extra arbeid ook leidt tot een hoger rendement dan bij normaal vermogensbeheer. De financieringswijze (vreemd vermogen) van het vastgoed is eveneens relevant voor de aanwezigheid van ondernemingsactiviteiten. De BOF kan dan wel van toepassing zijn.


AANSPRAKELIJKHEID FE VOOR BTW-SCHULDEN NIET IN STRIJD MET EUROPESE REGELS 
Een bv betoogde dat de aansprakelijkstelling voor openstaande btw-schulden van andere lichamen binnen de fiscale eenheid voor de omzetbelasting in strijd was met het Europees recht. Het Hof Amsterdam dacht daar anders over.
Volgens de bv botste de aansprakelijkstelling met de communautaire beginselen van evenredigheid en rechtszekerheid. De btw-richtlijn regelt echter niets over de aansprakelijkstelling van ondernemers die voor de omzetbelasting een fiscale eenheid vormen. Wel moet de wetgever zich houden aan algemene rechtsbeginselen waaronder het evenredigheidsbeginsel. De maatregel die werd bestreden was voldoende evenredig, aldus het Hof. 
Omdat de fiscale eenheid voor de btw alleen fiscaal bestaat, kan de fiscus geen belastingschulden innen bij de fiscale eenheid. De aansprakelijkstelling is dus in het leven geroepen voor de inning van belastingschulden. De rechtszekerheid komt evenmin in het gedrang, omdat de inspecteur de fiscale eenheid voor de btw vaststelt bij voor bezwaar vatbare beschikking. Het Hof schrapte wel een boetebedrag uit het bedrag van de aansprakelijkstelling, omdat het ontstaan van deze boete niet te wijten was aan de bv.


SLECHTS AFROOMMETHODE ALS GEEN VERGELIJK IS GEVONDEN 
Het gebruikelijk loon van de directeur-grootaandeelhouder (dga) dient primair te worden berekend volgens de vergelijkingsmethode. Pas als dat loon niet gevonden wordt, kan de afroommethode soelaas bieden. Aldus Hof Amsterdam.
Mocht de fiscus het door een dga genoten loon corrigeren met toepassing van de afroommethode? De inspecteur stelde dat bij het vaststellen van het dga-loon de vergelijkingsmethode kan worden toegepast, maar dat ook kan worden gekozen voor de afroommethode. Het Hof verwierp deze stelling. Uit formulering en strekking van de wet LB volgt dat allereerst gezocht moet worden naar het loon dat betaald zou worden door een werkgever voor vergelijkbare arbeid die wordt verricht door een werknemer die geen aanmerkelijk belanghouder is (de ‘comparable’). Pas als geen (voldoende) gegevens zijn over het gebruikelijk loon in een soortgelijke dienstbetrekking, komt de afroommethode in beeld. Bij toepassing van de vergelijkingsmethode werd vergeleken met een senior jurist met een salaris van € 82.181. Aangezien het brutoloon van de dga in 2012 van € 62.503 hoger was dan het gebruikelijk loon van € 42.000 en verder niet in belangrijke mate afweek van het salaris van de ‘comparable’, had de inspecteur het dga-loon ten onrechte met toepassing van de gebruikelijkloonregeling gecorrigeerd.


HOGE RAAD: CRISISHEFFING NIET STRIJDIG MET INTERNATIONALE REGELS

De crisisheffing is niet in strijd met het EVRM en het IVBPR. De heffing heeft wettelijke grondslag in de Wet op de loonbelasting 1964. Aldus de Hoge Raad in twee zaken. En wat betekent dit voor werkgevers?
In de bedoelde zaken hebben werkgevers van werknemers met een loon hoger dan € 150.000, over dat loonbestanddeel boven de € 150.000, 16% pseudo-eindheffing hoog loon, ook wel crisisheffing genoemd, afgedragen.
De werkgevers vinden dat het artikel, waarin de crisisheffing in de Wet op de Loonbelasting (Wet LB) wordt geregeld, in strijd is met het systeem van de Wet LB. De Hoge Raad denkt daar anders over. 
Ook is de crisisheffing niet discriminerend in de zin van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM, art. 14) en het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR, art. 26). De keuze van de wetgever om de werkgevers van werknemers met een loon van meer dan € 150.000 te belasten met een extra heffing valt binnen de ruime beoordelingsmarge die de wetgever heeft.
Evenmin is de crisisheffing in strijd met het recht op ongestoord genot van eigendom (EVRM art. 1 Eerste Protocol). Er waren voldoende specifieke en dringende redenen om de crisisheffing in te voeren. Idem voor de heffing over loon dat werd genoten voordat de regeling en de latere verlenging van de regeling werden aangekondigd. De begrotingsproblemen van destijds noopten tot de totstandkoming van een eenvoudige, goed uitvoerbare regeling.
Ook de klacht tegen het oordeel van het gerechtshof dat de heffing geen door art. 1 Eerste Protocol verboden individuele en buitensporige last voor de betreffende werkgever vormde, verwerpt de Hoge Raad.
Wat betekent dit voor werkgevers?
Wellicht heeft u in het jaar 2013 en/of 2014 te maken gehad met de crisisheffing voor uw werknemers met een jaarinkomen van meer dan EUR 150.000 in 2012 en 2013. Waarschijnlijk heeft u destijds ook bezwaar gemaakt tegen deze heffing. De Hoge Raad heeft in recente uitspraken aangegeven dat de crisisheffing in deze jaren niet in strijd is met het Europees eigendomsrecht. Ook de terugwerkende kracht in de regelingen (de heffing werd geheven over het loon van het jaar liggend vóór het kalenderjaar, waarin de regeling was aangekondigd) is volgens de Hoge Raad toegestaan.
In de twee procedures waarin de Hoge Raad uitspraak heeft gedaan zijn alle algemeen geldende argumenten tegen de rechtmatigheid van de crisisheffing aan de orde gesteld. Om die reden verwachten wij dat de Hoge Raad ook in de andere (proef)procedures die lopen bij diverse Gerechtshoven zal oordelen dat de crisisheffing niet in strijd is met het Europees eigendomsrecht en daarom kan worden toegepast.
Voert u zelfstandig een procedure dan bestaat de mogelijkheid dat de crisisheffing in uw situatie niet kan worden toegepast omdat sprake is van ‘een individuele en buitensporige last’. In de casus van de procedure over de crisisheffing 2013 volgt de Hoge Raad echter zonder veel uitleg de afwijzing door het Gerechtshof van dit argument. Hiermee lijkt de Hoge Raad een voorschot te nemen op andere procedures waarin een beroep wordt gedaan op ‘een individuele en buitensporige last’ voor de betreffende werkgever, maar zeker is dit niet. Wij brengen u uiteraard weer op de hoogte zodra er in (proef)procedures belangwekkende uitspraken worden gedaan.


HOGERE SALARISNORM 30%-REGELING IN 2016
Organisaties met buitenlandse werknemers in dienst, mogen een onbelaste vergoeding uitkeren voor extraterritoriale kosten. Dit mag echter alleen als de werknemers specifieke kennis of vaardigheden hebben die schaars zijn op de Nederlandse arbeidsmarkt. De salarisnorm om in aanmerking te komen voor deze 30%-regeling is per 1 januari 2016 verhoogd. 
Op jaarbasis moeten ingekomen werknemers minimaal € 36.889 verdienen, willen ze in aanmerking komen voor de 30%-regeling. Voor werknemers jonger dan 30 jaar met een masterdiploma geldt een norm van € 28.041. Door deze regeling kunnen buitenlandse werknemers die bij een Nederlandse werkgever aan de slag gaan, een onbelaste vergoeding ontvangen voor hun extra kosten door het werken in het buitenland. Daarvoor moeten ze wel aan een aantal voorwaarden voldoen. Andersom kunnen ook uitgezonden Nederlandse werknemers onder voorwaarden van de regeling profiteren.
Het belangrijkste vereiste voor expats die in Nederland gaan werken, is dat de ingekomen werknemer beschikt over een specifieke deskundigheid die schaars is op de Nederlandse arbeidsmarkt. De Belastingdienst gaat ervan uit dat werknemers over deze deskundigheid beschikken als ze een bepaald salaris verdienen. Werkgevers die gebruik willen maken van de 30%-regeling kunnen hiervoor een bepaling opnemen in de arbeidsovereenkomst van de werknemer. 
Werknemers die wetenschappelijk onderzoek doen bij bepaalde instellingen en artsen in opleiding tot specialist, hoeven helemaal niet aan een inkomensnorm te voldoen.
BEREID U VOOR OP AFREKENING WERKKOSTEN IN FEBRUARI 2016
De werkkostenregeling (WKR) werd op 1 januari 2015 voor alle werkgevers van kracht. Nu volgt het eerste afrekenmoment bij de aangifte loonheffingen januari 2016. De regels rond om de afrekening en de mogelijkheden voor een gezamenlijke concernregeling hebben we nog eens toegelicht.
De vrije ruimte bedraagt 1,2% van de totale fiscale loonsom. Bij overschrijding daarvan vindt een eindheffing plaats van 80%. Deze eindheffing moet worden afgedragen bij de aangifte januari 2016, die uiterlijk eind februari 2016 moet worden ingediend.
NB: als de inhoudingsplicht (eerder) eindigt, moet worden afgerekend in de aangifte over het tijdvak waarin de inhoudingsplicht is geëindigd en mag niet worden gewacht met afrekenen tot de aangifte van januari.
Welke vergoedingen, verstrekkingen en ter beschikkingstellingen zijn aangewezen als eindheffingbestanddeel moet vaststaan om de afrekening te kunnen doen. Wanneer en hoe dit aanwijzen uiterlijk moet plaatsvinden, is niet helemaal duidelijk. Volgens een besluit gaat de Belastingdienst gedurende het kalenderjaar uit van aanwijzing als eindheffingbestanddeel zodra niet individueel verloond wordt. Ook na afloop van het kalenderjaar gaat de dienst nog steeds uit van deze aanname als aan het einde van het kalenderjaar de aanwijzing in de administratie is verwerkt. Deze verwerking kan geschieden in de financiële administratie, maar ook in bijvoorbeeld een Excelbestand. Zorg daarom dat uw administratie op orde is en dat de eindheffingbestanddelen zijn aangewezen, om te voorkomen dat de Belastingdienst bepaalde vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen later alsnog individueel bij uw werknemers belast.
Uiterlijk bij het indienen van de aangifte januari 2016 kunt u kiezen voor toepassing van de concernregeling. De concernregeling kan door een inhoudingsplichtige samen met een andere inhoudingsplichtige worden toegepast als gedurende het gehele kalenderjaar:
•    de inhoudingsplichtige een belang van minimaal 95% heeft in die andere inhoudingsplichtige, of
•    die andere inhoudingsplichtige een belang van minimaal 95% heeft in de inhoudingsplichtige, of
•    een ander een belang van minimaal 95% heeft in de inhoudingsplichtige terwijl deze ander ook een belang heeft van minimaal 95% in die andere inhoudingsplichtige.
Bij belang gaat het om een belang in het aandelenkapitaal. Als gekozen wordt voor de concernregeling geldt deze voor alle concernonderdelen die het gehele kalenderjaar hebben voldaan aan de eigendomseis van minimaal 95%. Het is dus niet mogelijk om bepaalde concernonderdelen uit te sluiten. De concernregeling kan ook worden toegepast als sprake is van een tussenholding zonder werknemers, mits sprake is van een (middellijk) belang van minimaal 95%. In het geval van een moedermaatschappij met een 100%-belang in een tussenholding zonder personeel en daaronder 100% dochtervennootschappen, kan de concernregeling dus worden toegepast tussen de moeder en de dochters.
Door de concernregeling ontstaat een collectieve ruimte van alle tot het concern behorende inhoudingsplichtigen. De inhoudingsplichtige met de grootste totale fiscale loonsom geeft de eindheffing als gevolg van de overschrijding van de gezamenlijke vrije ruimte aan en draagt deze af.
Alle tot het concern behorende inhoudingsplichtigen zijn wel aansprakelijk voor de verschuldigde eindheffing. Alle inhoudingsplichtigen van het concern zijn verplicht om in hun administratie een aantal vastleggingen te doen zoals de totale fiscale loonsom, een overzicht van de eindheffingbestanddelen, gegevens van de andere inhoudingsplichtigen en de gezamenlijk verschuldigde belasting.
Stichtingen die in financieel, organisatorisch en economisch opzicht zodanig zijn verweven dat zij een eenheid vormen, kunnen ook de concernregeling toepassen.


BEZWAAR TEGEN UW PRIVÉGEBRUIK AUTO VOOR DE BTW OVER 2015
Indien u al bezwaar heeft gemaakt tegen aangegeven privégebruik auto voor de btw over 2011, 2012, 2013 of 2014, hoeft u dit voor 2015 niet opnieuw te doen. De Belastingdienst neemt uw bezwaar dan ook voor 2015 in behandeling. 
De Belastingdienst heeft tot deze werkwijze besloten na overleg met de koepelorganisaties van fiscaal dienstverleners.
De Hoge Raad heeft definitief bepaald dat de bijtelling voor het privégebruik van de auto van de zaak niet strijdig is met het Europese recht. Daarnaast heeft de Hoge Raad besloten dat de bijtelling niet hoger mag zijn dan de werkelijke waarde van het privégebruik. Voor auto's met een hogere CO2-uitstoot mag de bijtelling hoger zijn dan voor auto's met een lagere CO2-uitstoot. Aanvullend heeft de staatssecretaris besloten dat voor de periode 1 januari 2008 tot 1 juli 2011 de bijtelling voor het privégebruik van de auto door werknemers beperkt kan blijven tot de btw over 27% van de werkelijke autokosten. Omdat de uitspraken van de Hoge Raad leiden tot afwijzing van bezwaren over 2010 en eerder, vroeg de Belastingdienst vorig jaar al om bezwaren die worden afgewezen, in te trekken.


TOESLAGENKAART 2016 ONLINE
De Belastingdienst heeft de Toeslagenkaart 2016 gepubliceerd. Op deze kaart staan alle belangrijke bedragen voor toeslagen in 2016 overzichtelijk bij elkaar. Op de toeslagenkaart is snel te zien wat de grensbedragen en percentages zijn voor huurtoeslag, zorgtoeslag, kindgebonden budget en kinderopvangtoeslag. 


ONWETTIGE BEPALINGEN ZZP-CONTRACTEN AANGEPAST - BELASTINGDIENST GEEN BEOORDELINGSVRIJHEID BIJ TOETSEN ARBEIDSRELATIE
Staatssecretaris Eric Wiebes van Financiën erkent dat er fouten staan in modelcontracten voor zzp'ers die door de Belastingdienst zijn gepubliceerd en heeft beloofd dat de onwettige bepalingen spoedig worden aangepast.
De modelcontracten die integraal zijn gepubliceerd, zijn slechts getoetst op 'fiscaal relevante' bepalingen. Nu blijkt dat daarin ook vrijwaringen voor opdrachtgevers zijn opgenomen die niet conform hun wettelijke aansprakelijkheid is.
De goedgekeurde modelcontracten moeten met het verdwijnen van de (VAR) per 1 mei zekerheid vooraf geven dat er geen loonheffing hoeft te worden afgedragen. Maar dat geldt alleen als ze ook worden nageleefd.
Zo niet, dan kan de Belastingdienst een naheffing opleggen. Volgens de VVD-bewindsman zijn sommige modelovereenkomsten ’onzorgvuldig’ geformuleerd. Hij bevestigde dat het wettelijk onmogelijk is om alle eventuele naheffingen te verhalen op de opdrachtnemer, terwijl die indruk nu wel wordt gewekt. De bedoeling van de nieuwe wet is juist dat óók bij de opdrachtgever kan worden gehandhaafd op schijnzelfstandigheid. Wiebes stelt dat dat een verbetering is, omdat nu de zzp’er altijd de klos is. De modelcontracten zullen nog dit jaar uitgebreid worden getoetst door externe deskundigen. 
De Belastingdienst heeft geen beoordelingsvrijheid bij het toetsen van een arbeidsrelatie. Dat geldt zowel nu als straks onder de wet deregulering beoordeling arbeidsrelaties. In algemene zin moet een arbeidsovereenkomst voldoen aan de volgende cumulatieve voorwaarden:
•    de verplichting de arbeid persoonlijk te verrichten;
•    het betalen van loon aan de werknemer; en
•    het bestaan van werkgeversgezag.
Kunnen de werkzaamheden echter - op initiatief van de opdrachtnemer en zonder voorafgaande toestemming van de opdrachtgever - door een derde worden uitgevoerd (vrije vervanging), dan is de arbeidsrelatie geen arbeidsovereenkomst. In het kader van het wetsvoorstel deregulering beoordeling arbeidsrelaties is een gepubliceerde modelovereenkomst opgesteld, waarbij de mogelijkheid tot vrije vervanging is opgenomen. Ook is een modelovereenkomst opgesteld voor de situatie dat geen sprake is van werkgeversgezag.
Een groep zzp'ers is een online petitie gestart tegen de nieuwe modelcontracten, omdat ze vinden dat zelfstandige ondernemers onnodig veel papierwerk wordt opgelegd en het probleem van schijnzelfstandigheid niet wordt opgelost. Ruim 17.500 mensen tekenden de petitie al. Inzet is dat de minister de nieuwe Wet DBA herziet: de modelovereenkomst moet simpeler worden en zzp’ers moeten beter en persoonlijk worden ingelicht over de nieuwe wet. Ook zou er voor elke branche een voorbeeldovereenkomst moeten komen. De petitie loopt nog tot 2 april